Adreswijziging
Gelieve te noteren dat deze blog voortaan te vinden is op http://inktspat.webbie-webbie.com/
Pas dus uw bookmarks aan en uw RSS-feed.
Bedankt!
24 March 2010
Geen Commentaar
Printen
De winden van Warren
In 1983 heb ik de eerste, tot dan toe verschenen delen van het Geheim dagboek van Hans Warren gekocht, en waarschijnlijk ook onmiddellijk gelezen (actualiteit en mode zijn aan mij niet besteed, dus kan het zijn dat ik soms met grote tot enorme vertraging lees), want de daarop volgende delen heb ik telkens bij verschijnen gekocht.
Het laatste deel, het eenentwintigste (dat eigenlijk maar het voorlaatste is, want het echte laatste, dat over 2001, het jaar waarin Warren stierf, verscheen reeds vlak na zijn dood) verscheen verleden jaar en heb ik nu gelezen, samen met het twintigste.
Als ik het niet graag gelezen had, zou ik uiteraard al vlug hebben afgehaakt. Zoals vele anderen misschien. In mijn omgeving vonden/vinden de meesten het maar niks. Waarom wordt er zelden bijgezegd, maar ik vrees dat het de vermenging is tussen, hoe moet ik het zeggen, natuur en cultuur: de platheden van het menselijk lichaam, met zijn verlangens en uitscheidingen enerzijds, en de culturele aspiraties van de dichter/criticus en kunstverzamelaar Warren anderzijds. Plus daarbij de moeilijkheden van het samenleven, eerst met echtgenote Mabel, later met echtgenoot Mario. En nog veel meer.
Wanneer je aan een dagboek begint te lezen, moet je je aan alles verwachten. Wat niet betekent dat je ook alles zult krijgen. De meeste dagboeken van schrijvers zijn geen intieme dagboeken zoals dat van Warren, het zijn meestal veel meer intellectuele dagboeken, die het literaire werk begeleiden en zich voor de rest beperken tot reflexies over alledaagse besognes maar die niet weergeven, en dan nog. Ik herinner me niet dat Gide ooit boodschappen doet of kakt, in zijn dagboeken. Zelfs Léautaud doet dit laatste niet, meen ik me te herinneren.
Uiteraard herhaalt een dagboek zich ook voortdurend, dat kan niet anders. En dat gaat zeker op voor de laatste delen van Hans Warren: sinds hij zijn huis in Kloetinge betrok, nam zijn leven vaste contouren aan, die bestonden uit (weinig) deelnemen aan het literaire leven in Nederland, veel reizen en uitstapjes naar tentoonstellingen, restaurantbezoek, met de jaren minder seks, maar toch. Elk leven kent zo’n stramien, en boeiend wordt het slechts als het goed beschreven wordt (en dat kan Warren wel) en als er binnen dat stramien voldoende afwisseling is (nieuwe vrienden, veranderingen in de vriendschappen, niet steeds dezelfde reizen…).
Met de jaren vermindert ook die afwisseling uiteraard. De laatste twee delen focussen eigenlijk vooral nog op de lichamelijke aftakeling van Warren, die nauwgezet en gedetailleerd beschreven wordt, tot en met de sluitspier die niet meer werkt, en vaste en meer luchtige uitwerpselen begint door te laten. Om van de winden (al dan niet met) nog maar te zwijgen. Aftakeling quoi! Met het gejammer dat daarbij hoort, en de sentimentaliteiten soms. Dat alles behoort tot de weerzinwekkendheid van het leven, en mag en kan dus een plaats krijgen in een dagboek. De lezer moet er maar tegen kunnen. Wat mijns inziens wel nieuw is (een ander voorbeeld is me toch niet bekend, niet zo uitgebreid en gedetailleerd), is het feit dat hier iemand de eigen aftakeling beschrijft. Om slechts dat éne voorbeeld te noemen, Simone de Beauvoir beschreef op een magistrale wijze, met het ceseermes van de chirurg de aftakeling van haar moeder in Une mort très douce en de aftakeling van Sartre (eveneens met de nodige incontentie gepaard gaande) in La cérémonie des adieux. Leg ze naast elkaar en je ziet niet enkel het verschil tussen een dagboek en een verslag, maar vooral tussen de blik van een derde en de blik van de protagonist zelf.
Een aspect waar ik veel meer moeite mee heb, is de poëtica van Warren. Die kwam natuurlijk op de eerste plaats tot uiting in zijn decennialange bezigheid als criticus bij de Provinciale Zeeuwse Courant. Maar toch ook evenzeer in zijn dagboeken, daarin wellicht meer met betrekking tot beeldende kunst dan literatuur. Warren is een criticus die eigenlijk weinig verschilt van de andere: zijn poëtica is de enige ware poëtica, en het is dan ook van daaruit dat hij anderen bespreekt en waardeert. Hoe dichter ze zijn poëtica naderen, hoe hoger ze worden ingeschat. Zelfs als je ervan uitgaat dat objectiviteit in deze niet bestaat, dan kun je toch nog objectiever tewerk gaan, en bv. een dichter confronteren met diens eigen expliciete of impliciete uitgangspunten. Er is immers geen Ware Poëtica.
Maar hoe dan ook, een goeie kwarteeuw lang heb ik dit dagboek met veel plezier gelezen. Ik denk dat het een definitieve uitgave zou verdienen, op dundrukpapier, in een deel of drie, vier, zoals die van Léautaud. Maar dat zal in een land van cultuurbarbaren wel te hoog gegrepen zijn, vrees ik.
°°°
De dichter Warren had ik voor ik met zijn dagboek kennis maakte nooit systematisch gelezen. In bloemlezingen en/of tijdschriften zal ik hem wel zijn tegengekomen, maar zijn verzamelde gedichten heb ik pas in 1984 gekocht, een jaar dus nadat ik de eerste dagboekdelen gelezen had. Het een zal wel met het ander samenhangen. In recensies van poëziebundels kom je al te vaak de cliché’s tegen dat een bepaald iemand een eigen stem heeft, of een eigen plaats verdient enz. Me dunkt dat dit voor Warren zeer sterk opgaat, want ik ken in de Nederlandse poëzie slechts weinigen (wie? er valt me niemand in terwijl ik dit schrijf) wier poëzie zowel formeel als inhoudelijk zo epigrammatisch is, als die van Warren. Het enige vergelijkingspunt dat spontaan bij me opkomt, is de Griekse anthologie. Het is dus niet te verwonderen dat hij zeer sterk geporteerd was voor Griekenland, Seferis, Kavafis en oudere Grieken vertaalde. Al even on-Nederlands als de aard en de uitgebreidheid van zijn dagboek.
Zoals alles gras is, zo is ook alles wind. Vergaan en verdwijnen doen ze alle. Maar door de kracht van hun geur, de mix van ingrediënten waaruit ze voortkwamen, blijven enkele iets langer hangen. Dat mag wat mij betreft ook met die van Warren gebeuren.
17 May 2010
Geen Commentaar
Printen
Gerrit Komrij leest bloemen
De ‘dikke Komrij’ (‘Komrij’s drievuldigheid’ zou misschien beter en juister zijn, want tenslotte bestaat zijn dikke bloemlezing uit drie bloemlezingen) is niet een boek dat je helemaal, in één ruk uitleest. Zoals alle bloemlezingen van die omvang, zijn het boeken die je nu en dan uit de rekken haalt en waarin je dan een uurtje of zo leest. Want er valt uiteraard altijd iets in te ontdekken.
Met zijn andere, vaak thematische bloemlezingen (moeder, geld…) kun je dat uiteraard wel doen, want die zijn minder omvangrijk.
Zo ook zijn recentste: De 21ste eeuw in 185 gedichten ( Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2010). Deze bloemlezing laat me onbevredigd achter, en ik weet niet waaraan het ligt. Van de 48 dichters heb ik er slechts een viertal aangestreept met de bedoeling er iets meer van te gaan lezen (hetgeen nog niet betekent dat dat ook gebeuren zal). Die spraken mij een beetje aan, meestal door de formulering. Al de anderen dus niet. Nochtans kan ik niet zeggen dat er echt slechte dichters of gedichten bij zijn. Maar ze steken niet uit boven de doorsnee, ze zeggen me niks. Waarbij ik ervan uit ga dat dit evengoed aan mij kan liggen dan aan de dichters in kwestie. Waarschijnlijk is dat zelfs zo. Maar dan nog: hoe komt dat? Ben ik te oud om me in de poëtische leefwereld van jongeren in te leven? Ben ik te vastgeroest in de poëtische normen en geplogenheden van de dichters die ikzelf als tiener begon te lezen (de beroemde bloemlezing van Rodenko)?
Belang heeft het uiteraard niet. Zeker wanneer je genoeg bloemlezingen in huis hebt om de betekenis daarvan grondig te kunnen relativeren. Hetgeen Komrij trouwens zelf doet in zijn inleiding, wanneer hij op ‘t einde daarvan vier namen citeert uit de bloemlezing Met andere woorden uit 1960. Maar drie van die vier namen zeggen me nog iets, en twee ervan kan ik zelfs nog plaatsen. En ik woon toch niet in de Kalahariwoestijn.
13 May 2010
Geen Commentaar
Printen
Aangebrande schrijvers
Nadat mijn promotie achter de rug was, heb ik er lang aan gedacht aan de Sorbonne nog een ‘habilitation’ te halen. Dat is er nooit van gekomen, en nu weet ik dat het ook nooit meer gebeuren zal. Hetgeen geen belang heeft uiteraard, zelfs niet voor mijzelf.
Twee onderwerpen had ik. Het eerste was ‘het beeld van de Islam in de Nederlandse letteren’, en dat zou dus het gehele veld bestrijken, van de Middeleeuwen tot vandaag. Moeilijkheden om primaire teksten op te zoeken, met name uit de 17de en 18de eeuw deden mij al snel daarvan afzien. Een tweede onderwerp was ‘de collaboratie van Vlaamse schrijvers met de nazi-bezetter’, en dat was al gemakkelijker, op de eerste plaats omdat ik die schrijvers meestal al wel gelezen had, en op de tweede plaats omdat er eigenlijk weinig opzoekwerk nodig was, het moeilijkste zouden waarschijnlijk de strafdossiers zijn in het militaire auditoraat. Maar ook dat zal er dus nooit komen, ook al was ik al begonnen met het opstellen van een plan en het verzamelen van het ontbrekende materiaal, vooral werken van minder bekende collaborateurs, die na de oorlog niet meer heruitgegeven waren.
Het spreekt dan ook vanzelf dat ik na de aankondiging ervan op de blog van Henri-Floris Jespers amper wachten kon dat het door L. De Vos, Y. T’Sjoen en L. Stynen samengestelde boek Verbrande schrijvers, ‘culturele’ collaboratie in Vlaanderen 1933-1953 (Academia Press, Gent, 2009) verschijnen zou. En dat ik het gretig en aandachtig gelezen heb.
De titel is uiteraard verkeerd gekozen, dat had ‘aangebrande schrijvers’ moeten zijn, ook al kent Van Dale die uitdrukking niet in deze specifieke betekenis. Maar Van Dale is zeker geen absolute norm. Wanneer je over een dergelijk onderwerp schrijft, moet je er rekening mee houden dat het gaat over collaboratie met de Duitse bezetter en dat de uitdrukking ‘verbrande schrijvers’ aldaar betrekking heeft op de schrijvers waarvan de werken in 1933 onder het uitbrengen van de bekende schreeuwkoren (wider den…für den…ich übergebe dem Feuer…)in het openbaar verbrand werden. Maar bon, dat is een detail.
Mijns inziens moet een grondige studie over dit onderwerp uit drie grote delen bestaan: een theoretische inleiding, waarin met name dat spook dat ‘tijdgeest’ heet onderzocht wordt, naast de uitgangspunten uiteraard; dan het eigenlijke corpus, thematisch of, gemakkelijker, per auteur of reeks van auteurs; en uiteindelijk een deel over de verwerking van de collaboratie na de oorlog, zowel door degenen die in het middendeel aanbod kwamen als door andere, nieuwe schrijvers, die slechts na de oorlog debuteerden (dat stuk zou moeten gaan tot en met Els Beerten (kleindochter van Marcel?) en haar jeugdroman Allemaal willen we de hemel (Querido, Amsterdam, 2008). Sommige auteurs gaan wel even in op de houding van hun onderwerp na de oorlog (Hermans, De Pillecyn), maar dat is niet voldoende. Iemand als Jet Jorssen, of Marcel Beerten zouden in een derde deel ook behandeld moeten worden. Of er had een algemeen overzicht bij moeten komen. En tenslotte ontbreekt elk algemeen besluit, elke synthese van alle bijdragen: wat is gemeenschappelijk, wat individueel enz.

Verbrande schrijvers begint na een woord vooraf inderdaad met een theoretische inleiding, waarna acht afzonderlijke opstellen over acht collaborerende schrijvers volgen. Een derde deel is er niet, ofschoon sommige bijdragen wel ingaan op de verdere ‘lotgevallen’ van de schrijver in kwestie.
Het ‘voorwoord’ van Lukas De Vos en Yves T’Sjoen is duidelijk beter dan de inleidende beschouwingen van Marnix Beyen. Deze laatste focust mijns inziens te veel op het begip ‘culturele collaboratie’ dat hij verwerpt wegens te eng ten voordele van ‘cultureel onderhandelen’. Eigenlijk zijn dit woorden over woorden, die verder niets bijbrengen, want hoe je het ook noemt, de feiten blijven wat ze zijn en waren: sommige schrijvers hebben zich sterk of zwak, met volle inzet of aarzelend, onbezonnen of gewiekst geëncanailleerd met de bezetter, waarvan iedereen toen toch wel weten kon dat hij niet echt fris was, nog onafgezien van het feit dat een bezetting quasi altijd veroordeeld moet worden, met welke smoes die ook doorgevoerd wordt. Het schema van Judaken om de mate van collaboratie te meten, dat Beyen aanhaalt en eigenlijk ook verwerpt, zou een goed uitgangspunt kunnen geweest zijn: men had met de verschillende auteurs van de bundel vooraf hebben kunnen afspreken om dat schema in sterkere of zwakkere mate te gebruiken, de bundel zou dan al een veel sterkere eenheid vertoond hebben.
De Vos en T’Sjoen wijzen wel de juiste richting aan in hun overzicht, maar gaan er jammer genoeg niet diep genoeg op in. Plaatsgebrek? Over Le Roy en Peleman stellen zij bv.: “Le Roy en Peleman vertoonden eenzelfde reflex: heimwee naar een overzichtelijker, grijpbaar en begrijpbaar landleven. Dat bleef in de lijn liggen van hun afkeer van de wufte stad, het zedenbederf, en het verlies aan herkenbare vereenzelviging met de ‘volksaard’.” (p. 7) Wat zij hier beschrijven is een premoderne mentaliteit, geankerd in het plattelandsleven (‘les campagnes hallucinées” zoals Verhaeren dat noemde). Deze mentaliteit overheerste in de jaren dertig het culturele en literaire leven en is waarschijnlijk de belangrijkste voedingsbodem geweest voor de collaboratie, meer zelfs dan het katholicisme dat De Vos en T’Sjoen verderop in hun voorwoord aanstippen. Ook de katholieke kerk was immers door en door antimodernistisch gezind. En ook in Duitsland waren vele schrijvers inderdaad met die mentaliteit behept, en vermits de nazi’s een terugkeer naar die als idyllisch gedachte premoderne tijd voorstonden (officieel toch), waren zij een gemakkelijke prooi voor hen, ook al waren ze zelf niet echt nazischrijvers. Ik denk aan Ina Seidel, Guido Kolbenheyer, Lulu von Strauss und Torney, Jozef Weinheber en vele anderen, die misschien inderdaad tweederangs waren, maar ook die en zelfs nog lagere rangen worden bezet door schrijvers die ook hun waarde hebben, die ook goed kunnen zijn vaak.
Dat het merendeel van de collaborerende schrijvers hier zwaar katholiek was, is m.i. geen toeval dus. Maar het zou interessant zijn eens na te gaan hoe zij dit katholicisme in hun werk gestalte geven. In mijn bijdrage op deze site over Marcel Matthijs heb ik dat zelf gedaan. Maar het probleem is een aparte en grondige bijdrage waard. Is het katholicisme van deze mensen een soort oppervlakkig vernis? Of is het echt doorleefd, deel van hun persoonlijkheid? Hoe kunnen zij het dan in overeenstemming brengen met bepaalde politieke stromingen, die allesbehalve katholiek zijn? Tot nader order ben ik geneigd te denken dat Brel uiteindelijk gelijk had: katholicisme en fascisme zijn hier twee kanten van één munt: tussen de oorlogen zijn ze katholiek, tijdens de oorlog nazie.
Sommige andere medewerkers gaan gelukkig ook op dit uitgangspunt in, Els Van Damme bv. in haar stuk over Wies Moens (de Benno Barnard van de jaren dertig, zou je kunnen zeggen), of Eveline Vanfraussen in haar stuk over Ferdinand Vercnocke. Daar worden dus aan de hand van de teksten zelf de theoretische uitgangspunten, de mentaliteit van de betrokken schrijvers ahw gereconstrueerd. Vooral het opstel van Van Damme is degelijk doorwrocht, en wijst op een exacte manier naar de ideologische standpunten van Moens en hoe die inderdaad enkel tot collaboratie konden voeren. De bundel Het spoor uit het begin van de oorlog is cruciaal om dat te begrijpen. Een verwijzing naar Drieu la Rochelle die in zijn gelijktijdige pamflet Ne plus attendre hetzelfde standpunt vertolkte ware op zijn plaats geweest, omdat het bewijst dat deze mentaliteit van laten-we-profiteren-van-de-gelegenheid algemener was.
Acht opstellen dus, over acht verschillende collaborerende schrijvers. De uitgangspunten van de auteurs van die opstellen zowel als de uitwerking ervan zijn zeer ongelijk. Dat maakt de lectuur zowel boeiend als onbevredigend. Boeiend omdat er altijd weer vanuit een andere hoek bekeken wordt, onbevredigend omdat er geen of weinig samenhang is, omdat niemand het geheel synthetiseert.
Sommige opstellen zijn ook op zichzelf onbevredigend. Eveline Vanfraussen bv. analyseert een Führergedicht van Vercknocke, plaatst dat wel binnen het kader van de bundel waarin het voorkomt en binnen het bredere kader van Vercnockes werk tot dan toe, maar niet in een breder kader: ik denk dan aan een vergelijking met andere Führergedichten, bv. dat van J.L. De Belder, of aan een psychoanalytische benadering (Vercnocke lijkt me een van de weinige auteurs die voor een dergelijke benadering in aanmerking komen (men denke aan het overgrote belang van het begrip ‘zee’ in zijn werk) - uitgangspunt daarbij zou kunnen zijn: L’extrême droite sur le divan. Psychanalyse d’une famille politique (Editions Imago, Paris, 1992) van Jean-Louis Maisonneuve). Marc Holthof wijdt een opstel aan twee versies van De eer van ons volk van André Demedts. Ik vraag me echt af wat dit opstel hier komt doen?! Volgens mij kun je Demedts amper een collaborateur noemen, en het feit dat een oerversie van zijn roman als verhaal verscheen in 1941 bewijst helemaal niks. De samenstellers hadden dit opstel gewoon moeten weglaten, want het heeft met het onderwerp van hun boek niets te maken.
Sjoerd van Faassen schrijft over Ernest Claes, en zijn uitgangspunt is quasi zuiver politiek. Hij focust op het openbare leven van Claes tijdens de oorlog (die daarbij wellicht model zal staan voor andere groten, die zich eveneens encanailleerden zonder dat dit echt duidelijk tot uiting kwam in hun werk: Walschap, Streuvels, Timmermans, Roelants bv.). Er staat weinig in dat we nog niet wisten, maar het is wel goed dat van Faassen alles eens op een rijtje zet, zodat we kunnen zien wat voor een hypocriet en lafaard Ernest Claes eigenlijk was. Nou ja, liever blode Jan dan dode Jan, zal hij gedacht hebben, en daarin was hij uiteraard geen uitzondering. Van Faassen is overigens de enige die gebruik gemaakt heeft van het strafdossier van zijn onderwerp. Inzage in die dossiers is nochtans noodzakelijk als je grondig te werk wil gaan. Niet dat er altijd belangrijke zaken te vinden zijn, maar een ander licht werpen ze zeker wel op de zaak. Zeker als het over schrijvers gaat wie men enkel hun literaire werk verwijten kan, en die zich dus niet zoals Le Roy, De Pillecyn, Moens…ook of op de eerste plaats politiek hebben laten aanbranden.
Het stuk van Liselotte Vandenbussche over Blanka Gyselen daarentegen is grotendeels biografisch. Ook een interessante invalshoek uiteraard, omdat het veel kan verklaren, niet alleen bij haar, maar ook bij anderen. Klopt het dat deze schrijvers grotendeels uit de kleine burgerij afkomstig waren? En kan dat een argument zijn voor de stelling dat het fascisme een zaak van die kleinburgerij was, zoals vroeger en ook nu nog vaak gesteld wordt?
Tony Meedom wijdt een opstel aan Ward Hermans, een van de oprichters van de SS-Vlaanderen, volksvertegenwoordiger, rassistische pamflettist, romanschrijver en dichter. Het opstel geeft een goede synthese van de evolutie die Hermans doorlopen heeft, tot en met zijn naoorlogse roman Jan van Gent, waarin hij het met de nodige afstand over de collaboratie heeft (zonder enig ongelijk toe te geven uiteraard). Dat Hermans een “bevlogen visionaire dichter en redenaar” (p. 146) was, lijkt me meer dan een gotspe. Mijns inziens valt best aan te tonen dat het literaire werk van Hermans vanaf het begin tot het einde op zijn best stuntelig genoemd moet worden, maar eigenlijk gewoon slecht. Leg hem maar eens naast Wies Moens, of naast Pol Le Roy, aan wie het laatste opstel van de bundel gewijd is. Meesdom noemt Ward Hermans ‘een interessant geval’, maar het woord ‘geval’ kan hier alleen klinisch worden opgevat.
De twee nog niet genoemde opstellen uit deze bundel zijn gewijd aan respectievelijk Filip de Pillecyn en Pol Le Roy. Van deze laatste kun je in meer dan één opzicht zeggen dat hij ‘een geval’ geweest is. Ook al is hij vergeten en wordt hij in de recente literatuurgeschiedenis van Hugo Brems zelfs niet meer genoemd, toch beschouw ik hem nog steeds als een fascinerend dichter. Samen met de Pillecijn en Moens behoort hij tot de belangrijkste in deze bundel behandelde schrijvers, een trio dat op zichzelf de meest in het oog springende facetten van de culturele collaboratie belichaamt: de administratieve (De Pillecyn), de ideologische (Moens) en de politiek-militaire (Le Roy).
Zonder dat ik het wist moet Pol Le Roy me op literair vlak beïnvloed hebben, want als tiener las ik De Periscoop waarin hij dichtbundels recenseerde. Maar ik had niet echt de gewoonte te kijken wie de bijdragen die ik las, geschreven had. Maar ik vermoed dat je slechtere leermeesters kunt hebben. Ik herinner me niet dat Le Roy het ooit over politiek had. En inderdaad, ook in zijn poëzie is politiek totaal afwezig, ook in de bundels die hij vóór 1945 publiceerde (veel zijn dat er overigens niet). Wel kun je in de latere poëzie soms vage echo’s opvangen over zijn verleden, maar nooit echt expliciet. Het is alsof de man twee levens leidde, want hij was voor de oorlog in het Verdinaso éen van de hevigste militanten, en ook in de collaboratie ging hij tot het uiterste langs de extreemste, de SS-kant en de zgn. Vlaamse regering in ballingschap. Hij was ook de enige die niet expliciet katholiek was (wel van afkomst, en ook na de oorlog flirtte hij nog even met de kerk – maar je mag je afvragen of dat niet eerder met depressiviteit te doen had dan met iets anders). Maar verbazend genoeg was zijn poëzie sterk beïnvloed door modernistische stromingen, o.a. het surrealisme, en niet enkel na de oorlog. Die poëzie is over het algemeen erg moeilijk, vooral door het hoge abstractieniveau; moeilijke woorden of zinswendingen gebruikt Le Roy immers niet; zijn beeldspraak, zijn retorische figuren in ‘t algemeen trouwens verdienen eigenlijk een afzonderlijke studie (misschien bestaat die?, ik weet het niet). Wat ik hier zeg gaat eigenlijk in tegen de basisstelling van Stijn Vanclooster, die in deze bundel het opstel over Le Roy schreef. Veel van Le Roy’s thema’s (vitalisme, heidens-kosmologische oriëntatie, aristocratische inslag…) zouden ook politiek van aard zijn, aldus Vanclooster. Dat zal wel, maar hier komen we op moeilijk terrein: het is immers niet omdat een thema in verschillende velden traceerbaar is, dat beide velden ipso facto met elkaar samenvallen. Vele literatuurhistorici, en niet enkel linksen, hebben gesteld dat Stefan George een voorbereider van het nazisme was, wegens zijn aristocratisme, wegens zijn verlangen naar ‘das kommende Reich’, maar ik blijf erbij dat dit niets vandoen had met de liederlijke, banale en crapuleus proleterige werkelijkheid van het Derde Rijk. Ik maak dus geen absolute scheiding tussen politieke leven en dichterlijk werk bij Pol Le Roy, maar toch een duidelijke scheiding. Maar hoe dan ook, hij is één van de fascinerendste persoonlijkheden, niet alleen van collaborerend dichterland, maar uit de Vlaamse poëzie tout court.
Ludo Stynen ken ik van grondige boeken en artikelen, en van zijn bijdrage over De Pillecyn verwachtte ik dus veel. Temeer daar ik De Pillecyn als tiener al gelezen heb, en ik daar de beste herinneringen aan bewaarde. Enkele jaren geleden, toen de aan zijn figuur gewijde jaarboeken begonnen te verschijnen, heb ik de twee dikke delen van zijn scheppend werk nog eens herlezen, en wat mij betreft blijft hij volledig overeind: hij is een van de betere Vlaamse schrijvers uit de 20ste eeuw. En zijn werk is amper politiek te noemen, ook al is ook bij hem de antimodernistische mentaliteit wel degelijk aanwezig. Stynen heeft het, terecht, over bloed-en-bodem, maar hij vergeet de nodige restricties en reserves te plaatsen bij deze uitdrukking. Bloed-en-bodem-literatuur is immers niet noodzakelijkerwijze slechte literatuur volgens strikt literaire criteria: kijk naar de bijna volledige Streuvels, kijk naar Verhaeren en zijn Toute la Flandre. Tijdens de oorlog heeft De Pillecyn amper nieuw werk gepubliceerd. Zijn collaboratie was dus niet cultureel, maar politiek en administratief (hij werd bij het begin van de oorlog benoemd tot directeur-generaal van het middelbaar onderwijs). In zo’n geval is het nog noodzakelijker het strafdossier van betrokkene in het onderzoek te betrekken. Dat heeft Stynen niet gedaan. Stynen gaat op het einde van zijn opstel in op de receptie van De Pillecyn na de oorlog, en over hoe hij zelf tegenover zijn collaboratie stond: daarbij fixeert hij zich uitsluitend op het laat verschenen Face au mur, waaruit hij dan nog enkele zinnen over ‘negers’ citeert, terwijl hij verder weinig of niets te zeggen weet. Maar wat ik vooral erg vind: Stynen is blijkbaar niet op de hoogte van het bestaan van de kwatrijnenbundel Hoe de zwarten in de hemel kwamen (Uitgeverij Luctor, Antwerpen, 1950), verschenen onder het pseudoniem Filip den Duvel, met tekeningen van Kris van den Langenberg (ook een pseudoniem?). Dit is voor een academisch geschrift eigenlijk onvergefelijk.
Tenslotte nog dit: de eerste roman die de Pillecyn na de oorlog publiceerde (hij werd minstens gedeeltelijk in de gevangenis geschreven) was Jan Tervaert. Ik weet niet of het iemand is opgevallen, bij verschijnen of later, maar Ludo Stynen had het in zijn bijdrage zeker moeten vermelden: deze roman gaat over collaboratie en verzet en bezetting. En de verzetsmensen worden zeer positief voorgesteld (de titelfiguur en hoofdpersoon is trouwens een van hen). Maar het boek speelt zich wel af tijdens de Franse bezetting, in de 18de eeuw, en behandelt dus episodes uit de zgn. Boerenkrijg. Uit hun slogan ‘voor outer en heerd’ blijkt al dat dit een reactionair verzet was, maar ik vind dat dit geen rol mag spelen: tijdens de tweede wereldoorlog waren ook allerlei groepen in het verzet actief, overal in Europa, van uiterst rechts tot uiterst links. Claus von Stauffenberg was overigens ook een uiterst rechts, zoalniet fascistisch officier, het belet niet dat hij steun verdiende. En ofschoon de persmeute in het Westen het anders voorstelt, het verzet in Afghanistan bestaat lang niet alleen uit Taliban. Belangrijk is, dat De Pillecyn zich in deze roman expliciet en terecht achter het toenmalig verzet schaart. Enkele anachronistische verwijzingen naar recente gebeurtenissen spelen overigens in deze niet mee. De vraag die zich stelt is: zag De Pillecyn de overeenkomsten niet met de Duitse bezetting? Of was het zo erg gesteld met de Vlaamse beweging dat een bezetting enkel veroordeeld kon of mocht worden als ze Latijns was?
Een boek als dit roept zodus meer vragen op dan dat het antwoorden geeft. Op zich is dat natuurlijk niet slecht. Maar toch ben ik van oordeel dat het beter had gekund, dat de opstellen te ongelijk van opzet en waarde zijn. Je vraagt je af of dit niet de zoveelste uiting is van de publicatiedwang waaronder academici vandaag de dag leven. Hierbij zou ik willen verwijzen naar een andere publicatie, over een gelijkaardig probleemgebied: Jay W. Baird: Hitler’s War Poets, Literature and Politics in the Third Reich ( Cambridge University Press, New York, 2008). Ook hier een theoretische inleiding en dan zes opstellen, gaande van de conservatieve Rudolf G. Binding (volgens mij géén nazi) tot de SS-man en tankkommandant bij de SS-divisie Viking Kurt Eggers. De collaboratie met het NS-regime gaat hier in opgaande lijn, maar vooral: het synthetische vermogen van Baird is veel sterker dan bij de Vlamingen die het over ‘verbrande schrijvers’ hebben. En zijn onderzoek is veel, veel grondiger gebeurd, in alle mogelijk archieven en bibliotheken.
Meer dan een reeks ongelijke inleidingen tot een zeer breed en toch wel belangrijk probleemgebied is dit boek dus niet. Het kan hoogstens als vertrekpunt dienen voor verder onderzoek, over individuele auteurs (de reeds genoemde De Belder bv., ook altijd een van mijn lievelingsdichters geweest, en na de oorlog een van de belangrijkste poëzieuitgevers die Vlaanderen kende, hoe kwam hij tot zijn collaboratie, en kon men dat in zijn geval wel collaboratie noemen? wegens dat éne gedicht?) of over een reeks van auteurs of over het geheel. Voor een doctorandus is het toch een gedroomd onderwerp. Maar eigenlijk is Verbrande schrijvers een gemiste kans. Tenzij Vlaamse academici inderdaad niet beter zouden kunnen.
27 April 2010
Geen Commentaar
Printen
Hélène Nolthenius
Tussen mijn vijftiende en mijn achttiende moet het geweest zijn dat ik Duecento van Hélène Nolthenius – wellicht haar bekendste boek, op de voet gevolgd door haar veel latere boek over het Gregoriaans – las. Het was één van die leeservaringen die zo intens zijn dat je ze enkel als tiener kunt beleven, en die je hele verdere leven lang blijven nazinderen. Waarschijnlijk is het mijn leraar Nederlands/Duits geweest die het mij gegeven heeft (zoals hij mij Celan heeft leren kennen).
Later heb ik ook de andere wetenschappelijke boeken van Nolthenius gelezen, tot en met haar boek over Sint Franciscus. Haar zuiver literaire werk, romans (detectives) en verhalen moet ik minstens gedeeltelijk eveneens gelezen hebben, maar vreemd genoeg herinner ik me daar amper iets van. Veel minder beklijvend?
En nu heb ik een boek over haar gelezen, van éen van haar leerlingen, haar laatste promovenda ook, en vriendin: Rede en vervoering. Hélène Nolthenius 1920-2000 (Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2009) van Etty Mulder, die eerder ook al een liber amicorum voor haar samenstelde.
Het is een biografie, maar het is ook meer en minder dan dat.
Meer, omdat verschillende hoofdstukken, vooral op ‘t eind, vooral focussen op bepaalde aspecten van het werk. Zo gaat het hoofdstuk ‘Sleutelteksten en analyses’ dieper in op het (mogelijke) autobiografische gehalte van sommige van haar romans en verhalen. En het hoofdstuk ‘Beschouwingen’ handelt over haar geschiedenisopvatting, en hoe die eigenlijk reeds zeer vroeg vooruitliep op bepaalde tendensen in de historiografie, die later met name in Frankrijk opgang zouden maken. Dit is natuurlijk een zeer interessant gegeven, en het had mijns inziens beter uitgewerkt mogen worden. Het is duidelijk dat Nolthenius zich niet bezig hield (of amper) met de theorie van de historiografie, maar dat het haar praktijk zelf was die van haar een voorloopster maakte.
Minder, omdat de grote biografische lijnen inderdaad worden uitgezet en uitgewerkt, maar nooit tot in de details zoals je van een ‘echte’ biografie zou verwachten. Maar misschien is dat niet nodig. Als lezer die geen vakgenoot, academicus of anderszins professioneel geïnteresseerde is, maar enkel een liefhebber van de persoon en het werk, heb ik uit dit boek heel wat bijgeleerd dat ik niet wist. Over de bijna directe invloed van de oorlog op haar manier van examen afnemen bv. Bij haar thuis werden joden verborgen, en op een bepaald ogenblik werd zij door de SD gevolgd, aangehouden en langdurig ondervraagd. Dat, plus het feit dat haar vader zich in haar plaats aanbood en ook effectief naar Dachau verkast werd (waar hij gelukkig levend vandaan kwam), moet ook voor zware schuldgevoelens gezorgd hebben. Waarover zij echter niet sprak. En waarover we dus verder ook niets vernemen.
Over haar korte verblijf binnen de CPN op het einde van de jaren dertig vernemen we trouwens ook weinig. Duidelijk is wel dat dit eerder een emotionele daad was dan een beredeneerde. Zou het kunnen dat zij Kautsky’s boek over de oorsprong van het Christendom gelezen had? Of andere dergelijke werken? Hoe dan ook, het pact tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie leidde ertoe dat zij de partij weer verliet. Ook dat wijst erop dat deze stappen op het pad van de politiek alles met emotie te maken hadden.
Hetzelfde kan gezegd worden over haar bekering enkele jaren later tot het katholicisme. Daar gaat Mulder dieper op in. Het heeft ook wel langer en dieper doorgewerkt op de persoonlijkheid van Nolthenius dan de korte passage bij de CPN (passage die overigens ook al eerder ‘oerchristelijk’ dan communistisch was). Maar die overgang is eveneens nogal dubbelzinnig (en het feit dat zij zich na enkele jaren ook weer van de kerk afkeerde wijst daar ondubbelzinnig op), want niet enkel, en wellicht zelfs niet op de eerste plaats ingegeven door religieuze factoren, maar vooral door esthetische (muziek, architectuur van de kerk edm). Dat is geen toeval. De jezuiet en taalgeleerde Jacques van Ginneken publiceerde in 1927 (met latere drukken) een prachtig vormgegeven boekwerk (verlucht door Jan Toorop) Voordrachten over het katholicisme voor niet-katholieken. Dit boek is duidelijk apologetisch en bedoeld om te bekeren. Maar de nadruk in het hele omvangrijke boek ligt quasi volledig op de kunst en de literatuur van het katholicisme. Alsof dat de beste of sterkste argumenten waren om iemand over te halen de kerk te vervoegen. Het boek wordt niet vernoemd in Mulders werk, en we weten dus niet of de jonge Nolthenius het kende.
Na haar promotie werd zij dan hoogleraar in Utrecht, tot 1976. Ze was toen zesenvijftig en ging dus ettelijke jaren vroeger dan voorzien vrijwillig met emeritaat. De reden was haar onvrede met de zgn. ‘democratisering’ van de universiteiten. In haar afscheidsrede had ze het niet voor niets erover dat het woord ‘elitair’ een schuttingwoord geworden was. Terecht dat alles, denk ik na zoveel jaren. Wat men in de praktijk heeft toegepast onder het mom van ‘democratisering’ – niet alleen in Nederland overigens, maar ook hier – had immers niets daarmee te maken. Democratisering van de universiteit kan immers enkel betekenen dat aan iedereen, die de bekwaamheid daartoe heeft de kans geboden moet worden universitaire studies te doen, ongeacht afkomst, middelen enz. Wat men in de plaats gedaan heeft, is het onderwijs zo sterk naar beneden toe nivelleren dat iedereen een universitair diploma kon behalen. Dat heeft uiteraard met enige democratie niks te maken, tenzij een slecht begrepen democratie. Overigens moet zij toch wel een geliefd hoogleraar geweest zijn, ook al had ze de naam heel streng te zijn. Door de studenten werd zij immers ‘Heleentje’ genoemd, wat toch een koosnaam is.
Rede en vervoering is m.i. een goed gekozen titel. Het wijst op een tegenstelling in haar persoonlijkheid die blijkbaar telkens weer het hoofd opstak: emotionele keuzes maken, maar tezelfdertijd zeer nauwgezet wetenschappelijk te werk gaan. Dat maakt overigens mede de charme van haar eersteling, en van het daarop volgende Renaissance in mei uit. Ofschoon Nolthenius zelf veel later van oordeel was dat de eersteling die haar beroemd maakte ‘onwetenschappelijk’ was, klopt dat mijns inziens niet. Het hangt er uiteraard van af hoe je het begrip ‘wetenschappelijk’ definieert. Als dat gebruikt wordt als synoniem van ‘dor academisch’ dan klopt het wel, ja. Maar uit het hele boek blijkt dat het onderwerp zeer grondig bestudeerd werd, dat het vernieuwende inzichten brengt, de bronnen worden genoemd enz. Het beantwoordt aan alle criteria voor een wetenschappelijk werk. Tenzij de vervoering waarmee het geschreven werd natuurlijk (door haar veel later omschreven als ‘te romantisch’), dat paste en past niet in een academische context. Ten onrechte als men het mij vraagt. Het is juist door die schriftuur dat het boek zoveel lezers gevonden heeft. Voor wie het waarschijnlijk een even grote leesvreugde geweest is als voor mij.
“Fremd bin ich eingezogen,/fremd zieh’ ich wieder aus”, deze beginverzen van Müllers/Schuberts Die Winterreise worden doorheen het boek ettelijke malen aangehaald, alsof zij een soort kern, een levensmotto van Nolthenius zouden uitdrukken. Ik herken daarin ook een stuk van mezelf.
Het boek bevat ook, in bijlagen bij de hoofdstukken, interessante documenten: brieven uit 1946 bv., toen zij onderzoek deed in Italië (ga nooit naar de Bibliotheca Nazionale in Rome, ben ik geneigd te zeggen, tenzij het inmiddels erop verbeterd zou zijn), ook een belangrijk artikel, enkele vroege gedichten, en natuurlijk een uitgebreide fotokatern.
Etty Mulder was zoals gezegd een leerlinge en vriendin van Hélène Nolthenius. Ze haalt ook persoonlijke herinneringen op aan haar vriendin. Maar ze vervalt gelukkig nooit, op geen enkel ogenblik in enige vorm van hagiografie. Voor wie éen van de interessantste persoonlijkheden uit de Nederlandse muziek- en universitaire wereld van de tweede helft van de vorige eeuw wil leren kennen, is dit een verplicht boek.
25 April 2010
Geen Commentaar
Printen
Wat is een jood ?
De door Paul-Eric Blanrue samengestelde anthologie Le monde contre soi (Editions Blanche, Paris, 2007) kreeg over het algemeen een goede pers, vooral in zionistische en bepaalde joodse kringen.
Volkomen ten onrechte volgens mij.
Waarom ik dat vind, blijkt al uit de ondertitel: “Anthologie des propos contre les Juifs, le judaïsme et le sionisme”. M.a.w.: hier wordt een ratatouille gemaakt van ingrediënten die amper iets of niets met elkaar te maken hebben. Maar wat de nazionistische lobby’s maar al te graag hebben: elke kritiek op de nazionistische entiteit wordt op deze manier immers gelijkgesteld met de goorste vormen van racisme (‘contre les juifs’) en met de diatribes van de katholieke en protestantse kerken tegen de religieuze groep waaruit ze zelf zijn voortgekomen (‘contre le judaïsme’). Een dergelijk amalgaam kan maar één doel dienen, gewild of ongewild: steun verlenen aan de politiek van genocide, etnische zuivering, apartheid enz. zoals die door de entiteit gevoerd wordt. En elke kritiek daarop rechtstreeks in verband brengen met de nazi’s. In deze is bladzijde 150 van het boek symptomatisch: figureren naast elkaar met elk een volle kolom: Goebbels en Goethe. Commentaar daarbij is overbodig.
Dat belet niet dat het boek interessant is omwille van de vele citaten, waarvan sommige inderdaad van een diepgaand racisme getuigen (de voorbeelden zijn algemeen gekend), maar andere gewoon feiten vermelden en meer niet.
Een mislukking dus, een miskleun.
°°°
Twee jaar later publiceerde Blanrue een eigen boek: Sarkozy, Israël et les Juifs (Editions Oserdire, 2009), dat een zeer slechte pers kreeg, vooral bij dezelfde kringen uiteraard die het vorige goed onthaalden. Het boek werd in Frankrijk tot voor kort zelfs niet verdeeld, ook Fransen moesten het in België bestellen.
Weer volkomen ten onrechte volgens mij.
Het boek is immers niets anders dan een Franse versie van het bekende Amerikaanse werk van John J. Mearsheimer en Stephen M. Walt, The Israel Lobby and US Foreign Policy (Farar, Strauss & Giroux, New York, 2007). En uiteraard krijgt Blanrue evenveel stront over zich heen als beide Amerikaanse hoogleraren politicologie. Zonder dat ooit op één argument van hen werd ingegaan.
Nochtans is wat Blanrue schrijft volkomen juist: hij legt tot in de details uit dat Sarkozy de eerste Franse president is die volkomen gebroken heeft met de Gaullistische tradities, en die zijn land eigenlijk verkocht heeft aan de Angelsaksen en de zionisten. De buitenlandse politiek van Frankrijk wordt onder Sarkozy niet meer bepaald aan de Quai d’Orsay, zo is zijn stelling, maar in Tel Aviv en Washington. En dat dit in de toekomst wel eens zeer nefaste gevolgen zou kunnen hebben voor Frankrijk. Als je de internationale politiek een beetje volgt, wist je dat uiteraard al lang. Het editoriaal in het recentste nummer van Le Monde diplomatique, van de hand van Alain Gresh, getiteld “Tel-Aviv piétine ses alliés”, bewijst dat nog eens ten overvloede. De auteur somt o.a. een aantal voorbeelden op van hoe Franse diplomaten (!!) in de entiteit geschoffeerd worden door de plaatselijke soldateska, en hoe dat gebeuren kan zonder dat er vanuit Frankrijk (waar één van de meeste perverse en perfide politiekelingen van het ogenblik, Kouchner, de plak zwaait op de Quai d’Orsay) ook maar een begin van reactie komt. Precies simpele Indiërs die op hun knieën vallen voor hun heilige koeien.
Een aanrader dus, dit boek.
°°°
Bij dat alles heb ik mij vaak en al sinds lang de vraag gesteld: wat is dat nou eigenlijk, een jood? Walt en Mearsheimer spreken over de ‘Israel-lobby’, hetgeen veel objectiever is dan de vermelding van ‘juifs’ in het boek van Blanrue. Maar ook zij hebben het over joden in de tekst zelf van hun boek.
Meestal wordt er gesproken over een ‘joods volk’ wanneer deze problematiek van het Midden-Oosten, van het zgn. ‘antisemitisme’ enz. aan de orde is. Maar niemand definieert dat. En dat kan ook moeilijk, want ook hier onderhoudt men welbewust een grote verwarring.
Het woord ‘volk’ is immers één van de leegste en meest misbruikte woorden die er zijn. Mijns inziens heeft het gewoon het vroegere, vóór de oorlog gebruikt woord ‘ras’ vervangen. Het is immers even vaag, even onwetenschappelijk, en dus even vatbaar voor misbruik.
Volgens mij bestaat er helemaal geen ‘joods volk’. Joden vormen een geloofsgemeenschap, zoals moslims, christenen, Boeddhisten enz. Een jood is m.a.w. iemand die gelooft in de Thora en afgeleiden (Mishna, Talmoed…) en die daarnaar probeert te leven. Vanaf het ogenblik dat hij of zij ophoudt daarin te geloven, houden zijn ipso facto op jood te zijn. Edith Stein is een mooi voorbeeld: in een joods gezin geboren en opgevoed, verliest zij haar geloof als ze bij Husserl assistente wordt: ze is atheïste. En een atheïtische jood is een even grote contradictio in terminis als een atheïstische katholiek. Naderhand werd Stein katholiek, en zelfs non. Nou zullen er helemaal in het begin wel katholieke of christelijke joden geweest zijn (zie de brieven van Paulus), maar na de verzelfstandiging van de katholieke kerk was ook het begrip ‘katholieke jood’ een contradictio in terminis.
Edith Stein was dus vanaf haar geloofsafval geen jodin meer.
Waarom werd zij dan toch door de nazi’s opgepakt en vermoord? Omdat de nazi’s het begrip ‘jood’ totaal racistisch opvatten, waarbij opgemerkt dient te worden dat de definities in de rassenwetten van Nürnberg zeer sterk aansluiten bij wat joodse gelovigen zelf zeggen. Deze racistische definitie van het begrip ‘jood’ (die overigens niet van de nazi’s afkomstig is, maar vanaf het opkomen van nationalismen in de negentiende eeuw gebruikt werd, ook door Herzl, ofschoon die in zijn Judenstaat soms nog aarzelt) werd eigenlijk na de oorlog gewoon verder gezet, maar dan gevat onder het begrip ‘joods volk’, ‘joodse ethnie’ enz.
Objectief gezien bestaat er dus geen ‘joods volk’. Dat sommigen zich ‘joden’ noemen hoewel ze het niet zijn, is iets totaal anders. Het is een zuiver subjectieve reactie, meestal op de bekende vervolgingen, begrijpelijk maar onjuist (ook dat kan aan de hand van Herzls voorbeeld aangetoond worden). Als ik kwaadaardig was, zou ik dat vergelijken met de zottenhuizen, die ook vol zitten met Jezussen, Mozessen, Napoleons en andere figuren die de Mensheid willen redden.
De definitie die ik hier geef is m.i. de enige manier om veel verwarring, maar ook om bepaalde vormen van racisme te vermijden. Het is ook de meest rationele definitie, want de enige die elke vorm van mystisch gezwam op voorhand uitsluit. Best zou zijn dat het woord ‘volk’ dezelfde behandeling zou krijgen als het woord ‘ras’, m.a.w. dat het grotendeels zou verdwijnen. En als het dan toch gebruikt wordt, moet men vooraf eerst zeggen, klaar en duidelijk wat men daaronder verstaat. Maar illusies maak ik me niet. De verwarring hieromtrent wordt uiteraard met opzet in stand gehouden. Want ook dat draagt een steentje bij om een van de meest criminele gangsterstaatjes uit de geschiedenis nog een tijdje in leven te houden.
18 April 2010
Geen Commentaar
Printen
De semiet
Vroeger keek ik in de Duitse stationskiosken ook regelmatig uit naar joodse tijdschriften en weekbladen, niet zozeer voor mezelf (maar ik las ze natuurlijk wel), maar om Wilfried een plezier te doen (die even bang was van die boze moslims als onze Benno, en even verbonden met dat ‘joods-christelijke’). Maar Wilfried is er niet meer, en dus kijk ik daar nu minder naar.
Hetgeen niet belet dat ik er toch weer een gekocht en gelezen heb, omwille van de titel en omwille van het omslag.
Der Semit, unabhängige jüdische Zeitschrift, zo heet het, en het nummer dat ik kocht (nummer 2, maart-april van de 2de jaargang) was gewijd aan ‘Die Israel Lobby’, en op het omslag prijkt een tekening van Latuff, niet iemand die je verwacht op een ‘joods’ tijdschrift, want hij is door zijn ongemeen scherpe, maar schitterende tekeningen bekend als een vijand van de entiteit.
De titel is overigens goed gevonden, want iedereen die tegen het tijdschrift is, wordt ipso facto een antisemiet.
Zoals in het Nederlands, komt ook in het Duits het woord semiet slechts in twee uitdrukkingen voor: het zonet genoemde woord, plus in de uitdrukking ‘semitische talen’. Dat zijn zgn. worteltalen, de bekendste voorbeelden ervan zijn het Hebreeuws en het Arabisch. Semieten zijn dus mensen die een semitische taal spreken, en niet alleen joden. Het woord ‘antisemiet’ is dus eigenlijk totaal onjuist zoals het gebruikt wordt.
Soms krijg je de indruk, en vooral de mainstreampers doet zijn uiterste best om dat beeld erin te prenten, dat alle joden of die zich zo noemen als één man achter de entiteit staan, of ze zich nou zionist noemen of niet. Dat is dus duidelijk niet zo, er zijn religieuze joodse groepen die zich tegen de entiteit keren (omdat Israel er pas kan komen samen met de Messias), maar dus ook vooruitstrevende en linkse joden, zoals degenen die dit blad uitgeven en volschrijven. Want het is inderdaad een blad dat totaal tegen de politiek van de entiteit en dus ook van het Westen dat die entiteit steunt, gericht is. Het is, ook al wordt dat niet met zoveel woorden gezegd, dus een anti-imperialistisch en anti-kolonialistisch blad. Kom er hier maar eens om. Aan te raden lectuur dus voor Joachim Freilich en andere adepten van Joods actueel . En uiteraard voor de Barnards onder ons. Maar die zitten waarschijnlijk zo opgesloten in het eigen Grote Gelijk, dat ze toch geen kennis willen nemen van welke andere mening ook.
Interessant voor Nederlandstaligen in dit nummer zijn niet minder dan vijf bladzijden die gewijd zijn aan de Duitse vertaling van de recentste roman van Leon de Winter (de naam wordt wel anders geschreven, maar voor de rest zijn het vier handen op één fascistische buik), nl. Das Recht auf Rückkehr. Vroeger las ik de Winter erg graag, ik heb er geen enkel probleem mee dat toe te geven; maar op het ogenblik dat de man zich ontwikkelde tot een van de rabiaatste nazionisten, ben ik daarmee gestopt. Het is de hoofdredacteur, Abraham Melzer zelf die het boek recenseert. Laat mij slechts één zinnetje uit die recensie citeren: “So viel Hass, Unsinn und Rassismus auf fünfhundert Seiten habe ich noch nie gelesen.”
Het blad heeft ook een website: www.dersemit.de En een uitgeverij is eraan verbonden, waarin o.a. het Goldstonerapport in Duitse vertaling uitgegeven werd.
Het stemt me vreugdevol en een beetje hoopvol (maar voor hoelang) zo’n blad ontdekt te hebben.
15 April 2010
Geen Commentaar
Printen
Duitse Pers
Onlangs weer eens een weekje in Duitsland geweest, en uiteraard nieuwe Duitse dichters gevonden en gekocht (alhoewel, ‘nieuwe’, sommige zijn al erg oud, maar ik kende ze niet). Maar daarover wil ik het nu niet hebben.
Ik koop in Duitsland elke dag twee kleine landelijke kranten, en soms ook een grote, burgerlijke landelijke krant. Zelden plaatselijke kranten (men moet weten dat in Duitsland quasi elke kleine en middelgrote stad, en uiteraard de grootsteden, plaatselijke kranten hebben, iets wat hier onbekend is). Maar als ik in een station een beetje tijd heb, loop ik graag eens alle rekken af om te zien welke onbekende zaken er liggen.
Dat is ook nu gebeurd, in Würzburg waar ik een uurtje op de trein moest wachten. De oogst was mooi.

Daar is vooreerst de Preussische allgemeine Zeitung, een weekblad dat al zestig jaar bestaat, en op klassiek krantenformaat wordt uitgegeven. Op de titelpagina van het nummer dat ik kocht staan twee foto’s naast elkaar: van Bismarck en van Kohl, die beide op hun manier voor de eenheid van Duitsland zouden staan. Het onderschrift onder de foto van Kohl is wel veelzeggend: “Unter seiner Kanzlerschaft gelang die Wiedervereinigung Westdeutschlands mit Mitteldeutschlands.” (ik cursiveer, de taalfout is van hen). Je kunt eigenlijk maar blij zijn dat één volledig blad enkel een opsomming bevatten van alle Pruisen of ex-Pruisen die inmiddels (sinds het vorige nummer hopelijk) op zeer hoge leeftijd het bijltje erbij neer hadden gelegd. Een bladzijde was gewijd aan grote Pruisische schrijvers, maar daar ontbrak éen van de grootste: Keyserling.

Dan heb je de Prager Zeitung. Kleine artikeltjes, maar vooral advertenties. Dit blad bewijst enkel dat er in Praag weer een Duitstalig leven is.

Vervolgens heb je Volksbote. Sudetendeutsche Zeitung. Uiteraard heel veel over het vreselijke onrecht dat de Duitsers aldaar in 1945 is aangedaan, maar de vraag hoe dat nou toch kwam, wordt nooit gesteld door deze mensen.

Tenslotte heb je de ergste: Der Schlesier. Breslauer Nachrichten. Het kan zijn dat deze niet lang meer bestaat, want er wordt een beetje wanhopig om bijdragen gevraagd om het blad verder te kunnen blijven uitgeven. Op de eerste pagina een Christus en een hele pagina over Pasen, van de hoofdredacteur. Je denkt even dat je in het Vlaanderen van de jaren dertig of veertig bent. Ook hier verder veel revanchisme, maar vooral veel bijdragen over volksgebruiken (folklore), maar ook gedichten, vaak in het Schlesische dialekt. Ook over ‘Passiebergen’, heuvels waar bekende of minder bekende passiebeelden te bezoeken zijn. En advertenties tenslotte voor boeken die de wenkbrauwen doen fronsen. Maar op de website van dit weekblad (www.verlag-derschlesier.de) vind je nog veel meer en veel erger aangekondigd op het gebied van lectuur en muziek. Toch is dit geen naziblad. Het is een mengelmoes van extreem conservatief christendom en mentaal anti-modernisme. Een mix die inderdaad ervoor gezorgd heeft, dat deze mensen zich zonder problemen in het derde rijk thuis konden voelen. Ook bij ons bestond deze geestesgesteldheid, voor en tijdens de oorlog, en voor een deel ook nog daarna.
Maar dit zijn uiteraard allemaal randfenomenen, die waarschijnlijk, hopelijk vanzelf zullen uitsterven.
15 April 2010
Geen Commentaar
Printen
Benno Barnard en Gottfried Benn
Beiden zijn dichters, maar Benn is een dichter van Europees, zelfs van wereldformaat. Barnard zal na zijn dood waarschijnlijk een voetnoot worden in de literatuurgeschiedenis, een middelmatig dichter en een oppervlakkig prozaschrijver.
Toch hebben beiden iets gemeen: een gevaarlijke vorm van krankzinnigheid.
Maar ook daarin verschillen ze weer enorm van elkaar.
Benn was éen van de belangrijkste dichters van het Duitse expressionisme. Van opleiding was hij arts, en dat liet op de eerste plaats in zijn poëzie (Morgue heette zijn debuut) sporen na, maar ook in zijn proza, dat enerzijds extatisch nihilistisch was (de Rönne-teksten), maar in zijn eigenlijke essays sterk beïnvloed door het toen alom heersende sociaal-biologisch darwinisme. Dat zal bij zijn kortstondige krankzinnigheid wel een grote rol hebben gespeeld, teksten uit die krankzinnige periode heten niet voor niets o.a. ‘Züchtung’. Wie Benn kent, weet waar ik het over heb: in 1932-1933 werd Benn kortstondig bevangen door een vorm van waanzin die nefast is voor de meeste mensen en zeker voor dichters: hij engageerde zich politiek, d.w.z. hij encanailleerde zich met de nazi’s. Gelukkig voor Benn wisten de nazi’s wel beter, en het duurde niet lang of Das schwarze Korps (het blad van de SS) zette de frontale aanval in tegen deze vunzige, decadente vuildichter, en hij werd verplicht zijn job op te geven en ging terug het leger in.
Later heeft Benn zich nooit meer met politiek bemoeid, ook al is hij altijd duidelijk conservatief (wat niet betekent nazi of zelfs maar extreem-rechts) gebleven, en probeerde hij nooit zijn misstap te verbloemen. Hij was fout geweest en hij had dit aanvaard: ‘kann keine Trauer sein’, ook in dezen.
De nazi’s van vandaag, die zich heel graag op de zgn. democratie beroepen, denken er zelfs niet meer aan frontale aanvallen tegen Benno Barnard in te zetten. Ze zijn blij met zo’n, in de huidige context, niet onbelangrijke medestander. De rassenterminologie, die in Benns tijd algemeen was, is inmiddels verdwenen, en in de plaats is een ‘beschaafder’ discours gekomen over culturele verschillen, over hogere en lagere culturen (maar toch, maar toch…klinkt daar niet een kleine maar duidelijke echo mee: Übermenschen en Untermenschen?), en over de clash tussen ‘beschavingen’. De doden zijn er niet minder om dan in Benns tijd, maar wie maalt daar nou om.
Benno Barnard alleszins niet. Want die heeft zich eveneens geëncanailleerd met degenen die in de huidige context de gevaarlijkste oorlogsstokers en internationale politieke gangsters op de wereld zijn: de regeringen van de VS en de nazionistische entiteit, en hun imperialistische en zelfs genocidaire politiek. Hij is, in tegenstelling tot Benn die alleen maar verblind was (vandaar ook dat die zijn misstap snel inzag) bereid tot alle leugens en alle trucs van de klassieke oorlogspropaganda om zijn heren te dienen. Benn was ook nooit een racist, één van zijn vriendinnen was bv. de dichteres van joodse afkomst Else Lasker-Schüler. In zijn totaal ongenuanceerde uithalen naar moslims, is Benno Barnard wel degelijk wel een racist: hij gaat er, zoals zijn medestanders (Van Istendael, Wilders, Dewinter, Doornaert et tutti quanti) immers van uit dat er zoiets als een culturele essentie bestaat, Der ewige Muslim met andere woorden. Van die opvatting naar de genocide van wat toch maar Ungeziefer is, is het slechts een kleine stap.
En dat is wat ik bij dit volk het ergste vind: ze bereiden (of ze dat nou bewust doen of niet, doet niet terzake) inderdaad enkel de volgende genocide voor. In tegenstelling tot de Palestijnen zullen de Perzen zich niet laten doen wanneer ze door de nazionistische entiteit aangevallen worden. Je mag er zeker van zijn dat ze terug zullen slaan (terecht overigens) en dan zit het spel wellicht al goed op de wagen. Als de consequenties daarvan op economisch vlak hier voelbaar worden, is de interne vijand al aanwezig. En de geesten zijn door Barnard en Cie grondig voorbereid. Er kan snel en drastisch opgetreden worden tegen de ratten zonder dat van een bang gemaakte en opgehitste bevolking veel weerwerk verwacht hoeft te worden.
Ik dacht dat ik de enige was om zo te denken, maar tot mijn grote opluchting zei in een recent nummer van De groene Amsterdammer Alain Badiou ongeveer hetzelfde. Alleen formuleerde hij het veel voorzichtiger.
Benn was in feite een tragische figuur. Barnard is enkel een belachelijke clown, maar die in gevaarlijke tijden zeer gevaarlijk kan worden. Dergelijke mensen zien immers niet in dat ze aan paranoia in de klassieke betekenis van het woord lijden. Tenzij ze zich inderdaad welbewust en met goed geweten aan de zijde van de werkelijke opvolgers van de nazi’s scharen. Onward, christian soldiers !
En in de verte hoor ik precies iemand zingen: “Ach was hij maar in Rosendaal gebleven”.
15 April 2010
Geen Commentaar
Printen
Grafschrift voor zichzelf

14 April 2010
Geen Commentaar
Printen
