Een Loflied op de Vriendschap – Jan de Roek Revisited
1.
Het moet ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn, dat Jan de Roek bezig was de laatste hand te leggen aan zijn lange gedicht Jeunesse Dorée, dat de bekroning van zijn jeugdwerk had moeten worden. In de jaren 69-71 circuleerden in de vriendenkring van de dichter meerdere, vaak van elkaar afwijkende typoscripten van het gedicht (1). Maar in I971 kwam Jan de Roek bij een verkeersongeval om het leven. En kreeg men de indruk dat zijn Jeunesse Dorée mèt hem gestorven was.
Ongeveer een jaar voor zijn dood – heel juist herinner ik het mij niet meer – ontmoette ik Jan de Roek in het café van de Brusselse studenten, bij Margot. We spraken over poëzie in het algemeen en ik stelde hem vragen over zijn poëzie in het bijzonder. Met name vroeg ik hem wanneer hij nou eindelijk eens in boekvorm ging publiceren. Hij wachtte een ogenblik en antwoordde toen met zijn typische glimlach dat wij wat hem betrof zijn werk postuum mochten uitgeven.
Toen hij dood was hebben enkele van zijn vrienden dat geprobeerd. Eerst zou het Verzameld Werk door Johan Sonneville uitgegeven worden. Alles was reeds in kannen en kruiken, het ministerie had hem de nodige subsidies uitgekeerd. Maar toen besloot Sonneville met de ene helft van het geld een Hongaarse dichter uit te geven en de andere helft op te zuipen. Alle vlees is als gras, zal hij wellicht gedacht hebben.
Uiteindelijk werd dan toch de Antwerpse uitgever Robert Llowet de Wotrenge van de Pink Editions & Productions bereid gevonden het werk van de Roek uit te geven. In mei 1980 verschenen de twee mooie, in grijs linnen gebonden banden, éen met de poëzie, éen met de essays. Jammer genoeg werd er totaal niets gedaan om enige ruchtbaarheid aan de publicatie te geven. Resultaat : één enkele recensie, van Nicole Verschoore in Het Laatste Nieuws. En daarenboven werd een zeer groot deel van de oplage nooit ingebonden, zodat in feite slechts een heel klein aantal exemplaren werkelijk verspreid werd. Het resultaat is dat Jan de Roek binnen de kortste keren vergeten werd, alsof hij nooit had bestaan, alsof hij geschrapt werd uit de Nederlandse letteren.
“Wie houdt mijn nagedachtenis in ere ?
Een roos tussen de neushoorns,
een verschrikte vogel tussen edelvrouwen
en hun valkeniers ?
Wie legt er straks mijn kwelrijmen uit,
mijn halve woorden, mijn gestamel, straks,
aan het schijnheilig water, het verwaten staal,
het schaamteloos glas ?”
(VG, p. 30) (2)
zo vraagt hij zichzelf in Jeunesse Dorée af, en alsof hij zelf het antwoord reeds weet :
“Niemand luistert.
Niemand luistert.
Niemand kent mij nog.”
(p. 41)
000
Jeunesse Dorée – waarover ik het in dit opstel bijna uitsluitend zal hebben – is een collagegedicht in die zin, dat ongeveer de hele vroegere poëzie van de dichter er in een gecondenseerde vorm in verwerkt werd. Eigenlijk heeft de Roek drie dichtbundels geschreven: Voelen uit het einde van de jaren 5O, De Onhandige Gedichten uit I960, waarvoor hij in datzelfde jaar de poëzieprijs van de provincie Antwerpen kreeg, en Jeunesse Dorée. Van deze drie bundels bestaan telkens verschillende versies (3), zodat men zich met recht mag afvragen of de versie die in de Verzamelde Gedichten werd opgenomen en die alleszins de laatste is, ook als definitief bedoeld was.
Jan de Roek wou duidelijk nog niet in boekvorm uitgeven. Als hij het had gewild had hij dat al jaren kunnen doen. Die onwil moet dus wel samenhangen met zijn opvattingen over poëzie. M.i. ligt aan die houding het Mallarméaanse concept van het Grand Oeuvre ten grondslag, het Werk dat per definitie nooit af is, dat steeds een Work in progress blijft. Een Opus Finitum is vanuit dat standpunt een contradictio in terminis. Zelfs de dood maakt een werk niet af, want andere tijdperken en andere lezers kunnen een bestaande tekst totaal vernieuwen.
Een kwart eeuw later is Jeunesse Dorée nog steeds even leesbaar. Meer zelfs, zowel door zijn thematiek als door zijn heterogeniteit wat de stijlmiddelen betreft, is het gedicht nu moderner dan ooit, al was het maar omdat een post-moderne lectuur ervan a.h.w. voor de hand ligt. En dat buiten alle modecenakels om, want de tekst is tenslotte inderdaad vijfentwintig jaar oud.

3 reacties
Printen
Hallo Peter, ik ben een oud-studente van de VUB, zat in hetzelfde jaar als je zus Ella.
Ik was medewerker aan Enclave, het literaire blaadje dat wij met enkele germanisten uitgaven. Ik ben intussen lid van Diogenes GOL en las je tekst over Jan de Roek. Ik heb hem heel even aan de VUB gekend. Hij overleed toen ik in de 1ste of 2de kan zat. Ik ben blij dat iemand zijn poëzie in het daglicht stelt want met hem is een talentvol dichter te vroeg gestorven.
Beste Bruni,
Ja hoor, ik herinner me je nog, zij het uiteraard erg vaag na al die jaren. Het doet me plezier dat mijn tekst je bevalt, maar impact op Jans bekendheid had of heeft hij niet.
Wat ik je wel kan aanraden, al was het maar omdat dat wel impact heeft, is de bloemlezing ‘Hotel New Flandres, 60 jaar Vlaamse poëzie’, samengesteld door Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters, en pas verschenen bij het PoëzieCentrum in Gent. Er staan heel wat gedichten van de Roek in, en daarmee krijgt hij voor het eerst de plaats die hem volgens mij wel toekomt.
Ik veronderstel dat GOL voor Groot Oosten Luxemburg staat? Zelf was ik 6 jaar lid van De Meiboom, DH hier in Antwerpen, en gaf toen mijn ontslag als gezel; later nog zes jaar lid geweest van De Zon, RGLB hier in Antwerpen, en ook mijn ontslag gegeven, als meester die keer. En ook voor een groot stuk ten onrechte mijn ontslag gegeven toen, denk ik. Maar kom.
Op het ogenblik bereid ik de publicatie voor van de verzamelde gedichten en essays van Michel Bartosik, samen met anderen. Die zouden begin 2010 moeten verschijnen. Ik veronderstel dat je Michel nog wel gekend hebt? Hij was toen, dacht ik, assistent van Weisgerber, en later van Dina Hellemans.
Mdmbg,
Peter
peter.bormans@skynet.be
Beste Peter,
Michel heb ik nog gekend in mijn Enclave-tijd en ook later toen mijn dochter Germaanse deed aan de VUB en hij haar geliefde prof was. Op 10 februari verdedigt zij haar doctoraatsthesis ”SINGING TOGETHER IN THE DARK -INTERMEDIALITY AND RECIPROCITY OF INFLUENCE IN THE POETRY OF TED HUGHES AND SYLVIA PLATH’. Michel zou een van de juryleden geweest zijn, maar helaas … Haar promotor is Calles en Piet Vandecraen heeft gevraagd moderator te mogen zijn. Piet heeft haar onder zijn vleugels genomen toen ze aan de VUB arriveerde en heeft goed voor haar gezorgd.
GOL is inderdaad Grootoosten van Luxemburg, ik ben sinds drie jaar lid, net meester dus en al meteen hofmeester. Voorlopig bevalt de VM mij erg goed.
Tot kijk, Bruni
U moet inloggen indien u een reactie wenst te versturen.